
Wim T. Schippers, 2009, door Marcel Douwe Dekker. bron: Wikipedia.
Zonet las ik het verdrietige bericht dat (stem)acteur en kunstenaar Wim T. Schippers op 83-jarige leeftijd is overleden. Ik dacht meteen terug aan een ontmoeting die ik rond 2013 met hem had. Hij was in het Rijksmuseum op bezoek bij een collega, en ik liet hem een parfum ruiken dat Duchamp had verspreid op een surrealistische tentoonstelling. “Maar wist je dat ik de eerste geurkunstenaar van Nederland ben?”, vroeg hij enthousiast. Hij stuurde me vervolgens een aantal mails met documentatie. Helaas verloor ik daarna het contact met hem. Toen ik hem eens tegenkwam in een steeg waar je elkaar echt niet kon missen, dook hij plots naar de grond om daar iets te bestuderen. Discreet keek ik de andere kant op. Hij had vast geen zin om mij te zien, dacht ik. Maar het is natuurlijk goed mogelijk dat hij daadwerkelijk gefascineerd was door iets wat daar lag.
De afgelopen jaren deed ik hoe dan ook onderzoek naar zijn geurige uitingen. De tekst hieronder schreef ik in 2023, toen ik tijdelijk mijn reukvermogen was verloren.
Niets dan lucht – een programma van geuren

Pieter Brattinga, een programma van geuren, 1965, Steendrukkerij de Jong & Co.
“Het gaat allemaal om de zintuigen; die willen geroerd worden […] Beeldende kunst gaat over zintuigen”, aldus Wim T. Schippers.
Jarenlang zou hij hebben rondgelopen met het idee om een tentoonstelling te maken met uitsluitend geuren, oftewel: niets dan lucht. In 1965 was het eindelijk zover. Bij Steendrukkerij de Jong & Co. in Hilversum presenteerde hij zijn “Programma van Geuren”. Het kunstwerk had, ondanks de afwezigheid van de kunstenaar (hij was zelf niet eens bij de opening), nog het meeste weg van een performance. Van maar liefst zes uur welteverstaan. Het bestond uit een kale ruimte, verlicht door een eenvoudige gloeilamp. De muren waren bekleed met wit papier en er stond een aantal stoelen (de bekende Vlinderstoel van Arne Jacobsen) in theateropstelling. De setting suggereerde een voorstelling die ieder moment kon beginnen. Maar schijnbaar gebeurde er helemaal niets – althans, voor de visueel georiënteerden. Want er viel wel van alles te ruiken. En daar mocht de omgeving niet van afleiden (daarom was er bijvoorbeeld ook geen muziek).
Ter introductie van het geurprogramma werd er om 10:00 uur eerst een uur lang sinaasappellucht verspreid. Daarna volgde een uur met ‘potlood’: het enige geurelement dat werd aangeduid met een object in plaats van een geurstof. Aangezien potloden vaak van cederhout zijn gemaakt, moet het wel om deze welriekende houtgeur zijn gegaan. Volgens de kunstenaar zou dit mensen aan hun schooltijd doen denken. Hilarisch genoeg volgde dan een twee uur durende, geurloze pauze, zodat mensen even konden bijkomen van al die nasale dramatiek. In de middag was het tijd voor anijs, wat connotaties met de geboorte moest oproepen (anijs is immers het hoofdbestanddeel van de bekende beschuit met muisjes die Nederlanders op zo’n moment plegen te eten). Om 15:00 uur volgde uiteindelijk de grande finale: dierlijke muskus. Een verwijzing naar erotiek (en mogelijk een nieuwe geboorte?).
Journalisten waren vooral positief verrast door de happening. Want hoewel er al kunstenaars waren geweest die gebruik hadden gemaakt van geuren (zoals Marcel Duchamp in 1938, 1942 en 1957), had er nog nooit een expositie plaatsgevonden die uitsluitend uit geurende lucht bestond. Het doel was ‘geen doel te hebben’, wat invulling geeft aan het l’art pour l’art-principe: kunst puur en alleen voor de kunst. “Het gaat alleen om het feit dat hier geuren hangen, en daar gaat al genoeg werking van uit”, aldus Schippers. In een grote Nederlandse krant werd de kunstenaar daarom een ‘geurant’ genoemd die ‘in de toekomst op veler belangstelling zal kunnen rekenen’.
Door deze eigenaardigheid kregen ook buitenlandse journalisten lucht van het geurige gebeuren. Schippers stuurde me na een (volstrekt toevallig) gesprek over geurkunst in mijn kantoor in het Rijksmuseum, waar ik toen werkte, een scan van het artikel uit het Amerikaanse blad Newsweek. De journalist noemde het werk daarin “Olfactory Factory” (‘geurfabriek’) en Schippers de “Wizard of Odd” (‘de tovenaar van het vreemde’). Ze kregen de kunstenaar zelf kennelijk niet te pakken, maar spraken wel met Willemijn Brattinga, de vrouw van de directeur van de drukkerij Pieter Brattinga, die het begeleidende affiche ontwierp. Zij vertelde hen dat de sinaasappel stond voor een zuidelijk temperament, de ceder voor het kantoor, de anijs voor de winter en de muskus voor de geur van vertrouwdheid – zij het onbewust en voor velen nauwelijks waarneembaar. Dat klopt; veel mannen kunnen deze geurstof niet ruiken, waarschijnlijk omdat het evolutionair gezien belangrijker is voor vrouwen om deze stof waar te nemen (mogelijk met betrekking tot partnerkeuze). Desalniettemin noteerde Willemijn Brattinga in de catalogus – waarvan ik tot mijn vreugde een exemplaar vond bij het RKD en waar wonderbaarlijk geometrisch aandoende illustraties in staan – dat mensen van de sensuele geurstof ‘merkbaar onrustig’ werden. Een absolute ‘musk-see’ dus.
Voor een NPO-uitzending van “Ondersteboven – Nederland in de jaren 60”, die in 2016 werd uitgezonden, werden enkele archiefbeelden opgeduikeld waarop de reacties van bezoekers te zien zijn: “Ik ben hier voor de tweede keer. Voor de sinaasappel. Want gister was er ananas, ik bedoel anijs”, zegt een enthousiast jongetje dat ongeveer negen jaar zal zijn. Een oudere heer vertelt:
“Als je nou naar een tentoonstelling gaat, dan weet ik dat het de bedoeling is dat je daar schilderijen of plastieken ziet en dat je dan een zekere emotie ondergaat en dat je onder de indruk raakt en dat je iets mee naar huis neemt. Nou ja, wat is de bedoeling, wat moet ik hiervan mee naar huis nemen?”
De geuren hadden, getuige een waarschuwing bij de entree, nog een bijkomstig effect dat wellicht een antwoord gaf op de vraag van de oudere bezoeker:
“Het is mogelijk dat enkele van de geuren zich aan de kleding hechten. Indien het met zich dragen van een bepaalde geur voor een bezoeker onaangename gevolgen zou kunnen hebben, dan raden wij de bezoeker aan dit programma niet, of alleen met verwisselbare kleding te bezoeken.”
Wie de kunst mee naar huis wilde nemen als olfactorisch souvenir om na te genieten, hoefde dus alleen maar even in de ruimte te gaan zitten. Maar voor een ‘samenvatting’ van het complete dagprogramma moest diegene dan wel de hele tijd blijven, of natuurlijk gewoon de volgende dag(en) terugkomen, net zoals dat jongetje.
Pindakaasvloer

Wim T. Schippers, Pindakaasvloer in cirkelvorm in Stedelijk Museum Schiedam. Opname door beveiligingscamera, verkregen via Colin Huizing.
Schippers maakte een paar jaar later een kunstwerk met een luchtje dat veel beroemder werd: de Pindakaasvloer uit 1969, dat zelfs een eigen Wikipedia-pagina heeft. Dit werk bestond (en bestaat, want het wordt nog steeds weleens uitgevoerd) uit een geometrisch vlak dat op de vloer rust en dat geheel dient te worden ingesmeerd met het bekende, smeuïge broodbeleg. Zou het zoveel bekender zijn omdat het een duidelijke visuele component heeft? Het maakt het in ieder geval mogelijk het kunstwerk te communiceren in boeken en tijdschriften. De bruine rechthoek oogt bovendien als een modern kunstwerk in de lineaire beeldtaal van De Stijl en de minimalisten, al doet dat oudere werk een stuk klinischer aan en zouden zij niet zo snel zo’n poeperige kleur gebruiken. Daarin schuilt ook de kracht van dit vloerwerk.
Op het eerste gezicht hoort het thuis in een museum voor moderne kunst, maar het trotseert gelijktijdig meerdere museale wetten. Bijvoorbeeld dat je naar de vloer in plaats van naar de wanden kijkt (al kennen we dat op zich wel van Carl Andre met zijn loden tegels en de zout- en glasvloer die Schippers in 1962 in Museum Fodor liet zien). Wat echter nog veel meer ontregelt, is het feit dat het halfvloeibare product vlekken kan maken. En meer nog dan dat: dat er dampen uit opstijgen die de kristalheldere atmosfeer die we kennen van de ‘white cube’ volledig en oncontroleerbaar contamineren. Die ‘white cube’ is een door Willem Sandberg geïntroduceerd museaal concept uit de jaren 1930 waarbij alles een vermeende neutraliteit moet uitstralen. De muren zijn smetteloos wit en de lucht is er kraakhelder, zodat niets afleidt van dat wat de mens in een museum normaal gesproken komt doen: kijken, kijken en nog eens kijken.
Maar juist door dat rebelse en verrassende karakter werd De Pindakaasvloer een publiekslieveling.
Het werk werd voor het eerst geïnstalleerd in Galerie Mickery in Loenersloot in 1969. Het zou toen bijna dertig jaar duren voordat het op een overzichtstentoonstelling werd getoond in het Centraal Museum in Utrecht. Toen het daar in 1997 lag, ontstonden er allerlei ongeplande performances. Het kunstwerk nodigt daar nu eenmaal toe uit, en het voelt bijna onbeleefd om daar niet op in te gaan. Zo gooiden een aantal scholieren er hagelslag en boterhammen in onder het motto ‘pindakaas met hagelslag is lekkerder’. Ook werden er heuse glijwedstrijden georganiseerd. Wat de nachtmerrie is voor iedere conservator, was juist een kolfje naar de hand van de kunstenaar, die dergelijke bandeloosheid vast wel kon waarderen.
Een ludieke actie in Rotterdam moest een bezoeker overigens met een boete bekopen. Toen in 2011 een versie in Museum Boijmans Van Beuningen werd tentoongesteld, trok een man zijn schoenen uit om zijn voet eens lekker in de smurrie te steken. Ik hoor het geluid dat dat gemaakt moet hebben zo voor me. Het klinkt waarschijnlijk zoals pindakaas ruikt en voelt: vettig en plakkerig. En er waren meer beperkingen. Voor deze uitvoering, waarin 11.000 liter pindakaas was verwerkt, was een luchtsluis geïnstalleerd, zodat de penetrante lucht enigszins lokaal bleef. Normaal gesproken neemt de onzichtbare dimensie van het werk zaal na zaal in, tot het hele museum gedoopt is in zijn geurkunst. Museumregels zijn nu eenmaal niet altijd te rijmen met de intenties van de kunstenaar, zelfs wanneer die juist om die reden zo populair is geworden.

Bezoeker kan de verleiding niet weerstaan en stapt in de Pindakaasvloer in Museum Boijmans van Beuningen, 2011.
De inmiddels archetypische bruine rechthoek is vrij recent op een alternatieve wijze tentoongesteld. In 2018 onderging het werk in Stedelijk Museum Schiedam een ware metamorfose. Curator Colin Huizing:
“Wim wilde het om een hoek plooien, alsof het ruimte moest geven aan de bestaande architectuur. Ik had geen hoek van een muur voor hem, wel een steunpilaar van de constructie. En het moest nu maar eens rond. Zo kwam de vorm tot stand.”
En waar in Rotterdam een boete werd uitgedeeld, vroeg Huizing de bewakers juist om vooral camerabeelden vast te leggen van mensen die al dan niet per ongeluk in de vloer stapten, omdat dat zo hilarisch was. Huizing:
“Er stond permanent iemand bij om mensen te waarschuwen. Velen zagen het gewoonweg niet. De beveiliger had een plamuurmes bij zich om het werk te ‘restaureren’ na elk incident.”
Huizing opereerde hiermee misschien wel meer in de geest van de kunstenaar dan de conservatoren in Rotterdam. Alhoewel, bij Wim T. Schippers weet je het maar nooit. Want navolgbaar is een van de dingen die deze geurant absoluut niet is.
Door Caro Verbeek, geurhistoricus
Bronnen
Openingscitaat: John Schoorl, Een interview met Wim. T. Schippers – Hoewel de journalist geen vraag heeft gesteld”, in De Volkskrant, 2022.
Willemijn Brattinga, Programma van Geuren, 1965, Steendrukkerij de Jong & Co
Ondersteboven – Nederland in de jaren 60, van NPO, afl. 7, april 2016. Te vinden op:
http://www.npo.nl/ondersteboven-nederland-in-de-jaren-60/30-04-2016/VPWON_1246650
Wikipedia-pagina van de Pindakaasvloer: https://nl.wikipedia.org/wiki/Pindakaasvloer
Gesprekken en mails met Wim T. Schippers in 2015, persoonlijk archief Caro Verbeek.